Grootste objectieve website voor
 complementaire en alternatieve geneeskunde

IOCOB

Home > Complementaire behandelwijzen > Politiek > Debat Minister Schippers en IOCOB: briefwisseling en open antwoord IOCOB over CAM

Debat Minister Schippers en IOCOB: briefwisseling en open antwoord IOCOB over CAM

Share |
Op 18 oktober 2011 heeft mr N.H. de Vries een Open Brief Aan De Minister Van VWS gericht over de plaatsbepaling van CAM tegenover de reguliere geneeswijzen. De Minister van VWS heeft mr De Vries geantwoord bij brief dd 23 december 2011, waarvan de tekst hierna integraal is opgenomen. Tenslotte heeft mr De Vries op deze brief gereageerd met een Open Antwoord Aan De Minister Van VWS dd 5 januari 2012 waarvan de inhoud hier eveneens is weergegeven.

Betreft: 23 DEC. 2011, Antwoord van de Minister van VWS op open brief d.d. 18 oktober 2011

Geachte heer De Vries,

Ik heb uw brief d.d. 18 oktober 2011 met als onderwerp ‘Wat is waarheid in de geneeskunde?’ met belangstelling gelezen. In deze brief maakt u mij uw verontrusting kenbaar over de wijze waarop de discussie in Nederland gevoerd wordt over, zoals u noemt, ‘de afgrendeling van de complementaire en alternatieve geneeskunde (CAM) ten opzichte van de reguliere geneeskunde’. U reageert met name op een passage uit mijn antwoord op Kamervragen van het kamerlid Voortman (GL) d.d. 5 oktober 2011, waarin ik opmerk dat voor de werkzaamheid en effectiviteit van CAM geen of onvoldoende wetenschappelijk bewijs bestaat en daarom niet "evidence-based" is. Met uw schrijven beoogt u een bijdrage te leveren aan de totstandkoming van een serieuze gedachtewisseling over het thema regulier-CAM.

In de discussie over de gezondheidszorg in Nederland moet wat mij betreft de patientveiligheid centraal staan. Daarbij is het voor mij niet van belang of het dan over alternatieve of reguliere zorg gaat. Ik ben een groot voorstander van zorg, waarvoor voldoende wetenschappelijk bewijs is dat deze effectief is (evidence based). De veiligheid van de patient staat voorop. Evidence-based zorg biedt daarvoor de beste garantie.

Daarnaast vind ik de keuzevrijheid voor de patient zeer belangrijk. In Nederland is met de invoering in 1997 van de Wet BIG (Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg) er bewust voor gekozen de uitoefening van de geneeskunst vrij te laten. Het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg, waaronder complementaire of alternatieve behandelwijzen, is sinds de inwerkingtreding van de Wet BIG in beginsel aan eenieder toegestaan, behoudens bepaalde voorbehouden handelingen. Dit zijn handelingen (injecteren, weefsel verstorende ingrepen als snijden, uitvoeren van endoscopieen, etc.) die, indien uitgevoerd door ondeskundigen, evident gevaarlijk zijn voor de gezondheid van diegenen die dat ondergaan. Deze handelingen mogen enkel op eigen gezag worden verricht door de wet aangewezen deskundigen (artsen, tandartsen en verloskundigen).

Beoefenaren van beroepen in de zorg die niet via de wet BIG zijn geregeld, mogen in beginsel patienten helpen waar het gaat om niet voorbehouden handelingen. Patienten kunnen zelf kiezen of zij naar een arts gaan die reguliere zorg biedt. Zij kunnen ook uit vrije wil kiezen om naar een alternatieve zorgverlener te gaan. Die verantwoordelijkheid ligt bij hen, en dat hoort ook zo.

De kwaliteit van de zorgverlening is primair een verantwoordelijkheid van zorgverleners. De inhoudelijke discussie daarover, en daarmee het garanderen van de veiligheid voor de patient dient ook primair tussen hen plaats te vinden. Dit geldt wat mij betreft niet enkel voor de discussie tussen bepaalde disciplines van beroepsbeoefenaren. Ook binnen beroepsgroepen moet men elkaar ‘de maat nemen’. Ik vind een ‘zelfreinigend vermogen’ bij de beroepsgroepen van groot belang.

Ook ten aanzien van de discussie over de verhouding van de alternatieve zorg tot de reguliere zorg, en de mate waarin deze zorg als dan niet evidence based is, zijn de beroepsbeoefenaren en beroepsgroepen zelf primair aan zet. Ik juich het toe als beroepsgroepen uit de alternatieve en reguliere zorg het initiatief nemen deze discussie op een meer gestructureerde wijze met elkaar te gaan voeren. Ik ben het eens met uw stelling dat deze discussie vooral gevoerd zou moeten worden op basis van wetenschappelijk vastgestelde feiten.

U doet de suggestie een onafhankelijke en representatieve commissie in te stellen, die de discussie over de verhouding tussen alternatieve en reguliere zorg naar een hoger plan kan tillen. Wellicht dat een commissie, zoals door u voorgesteld, daarin een rol kan spelen. Het is aan de betrokken beroepsgroepen om te bepalen op welke wijze zij dat willen doen. Ik ben dan ook niet voornemens een commissie in te stellen, als door u voorgesteld, maar kan mij voorstellen dat de beroepsgroepen daartoe zelf initiatief nemen.

Hoogachtend,
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
mw. drs. E.H. Schippers

 

Open antwoord aan de Minister van VWS van Mr N.H. de Vries

Rotterdam, 5 januari 2012

Aan Hare Excellentie de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Mevrouw Drs E.J. Schippers
Postbus 20350
2500 EJ Den Haag

Betreft: uw schrijven dd 23 december 2011 ten antwoord op mijn open brief dd 18 oktober 2011.

Mevrouw de Minister,

Ten antwoord op uw bovenvermeld schrijven veroorloof ik mij hierbij om het volgende onder uw aandacht te brengen.

Met instemming nam ik kennis van uw standpunt dat u het toejuicht als de discussie tussen beoefenaren van reguliere en alternatieve zorg op een meer gestructureerde wijze dan thans zou worden gevoerd. U bent voorts met mij van oordeel dat deze wenselijke discussie vooral op basis van wetenschappelijk vastgestelde feiten zou moeten plaatsvinden. U voegt daaraan toe van mening te zijn dat het initiatief voor deze gedachtewisseling uit de onderscheidene beroepsgroepen zelf zou moeten komen en dat een onafhankelijke en representatieve commissie, zoals door mij voorgesteld, daarin wellicht een rol zou kunnen spelen. Vervolgens maakt u evenwel kenbaar dat u niet voornemens bent een dergelijke onafhankelijke commissie zoals die mij voor ogen staat, in te stellen.

Ik acht het bepaald teleurstellend dat u zich ten aanzien van deze – voor de Nederlandse volksgezondheid belangrijke – aangelegenheid zo vrijblijvend opstelt. Ik heb in mijn open brief immers met een keur van argumenten aangegeven hoezeer de huidige discussie tussen regulieren en alternatieven ernstig is vervuild door ideologische kretologie en om die reden geheel is vastgelopen. Het ligt echter niet in mijn macht om als individuele burger de – ook door u – wenselijk geachte gedachtewisseling over het beladen onderwerp regulier-CAM zelf op gang te brengen. U als minister heeft deze mogelijkheid echter wel. Indien dit belangrijke thema u werkelijk ter harte gaat had het daarom in de rede gelegen indien u op zijn minst de bereidheid zou hebben getoond om een krachtige aanbeveling naar de diverse beroepsgroepen te doen uitgaan waarin u de urgentie van een echt wetenschappelijke benadering van dit zo controversiele onderwerp zou hebben onderstreept. Dat is uwerzijds helaas achterwege gelaten. In het belang van het naar een hoger plan tillen van de huidige discussie betreffende regulier-CAM verzoek ik u hierbij dan ook het uitgaan van een dergelijke aanbeveling alsnog te overwegen opdat het gehele geneeskundige veld ervan wordt doordrongen hoezeer ook de overheid de bestaande situatie schadelijk acht voor de Nederlandse patientenpopulatie waarbinnen immers gebruik wordt gemaakt van zowel reguliere als CAM-behandelvormen. Gaarne verneem ik uw visie te dezer zake alsnog.

Uw schrijven geeft mij voorts aanleiding tot de volgende opmerkingen.

U merkt terecht op dat in de gezondheidszorg de patientveiligheid voorop staat en dat evidence based medicine daarvoor de beste garantie biedt. Uw opvatting wordt ook in de kringen van gekwalificeerde CAM-behandelaren uiteraard breed onderschreven.Tegen echte kwakzalverij moet op een passende wijze worden opgetreden omdat daarin de patientveiligheid immers niet is gegarandeerd.

In uw visie ligt echter tevens besloten dat u CAM inferieur acht ten opzichte van de reguliere geneeskunde. In uw antwoord aan het parlement dd 5 oktober 2011 heeft u immers onomwonden te kennen gegeven dat voor CAM geen of onvoldoende wetenschappelijk bewijs bestaat, en dat CAM dus niet evidence based medicine is. In mijn open brief heb ik echter uitvoerig geadstrueerd dat uw opvatting onjuist is omdat deze getuigt van het meten met twee maten. Ook het merendeel van de regulier-geneeskundige behandelmethoden is namelijk niet evidence based hetgeen impliceert dat de door u veronderstelde superioriteit van de reguliere geneeskunde ten opzichte van CAM alleen maar optisch bestaat maar in werkelijkheid afwezig is. De wisselende cesuur tussen bewezen en niet bewezen geneeskundige behandelvormen bestaat onmiskenbaar zowel in de reguliere sector als in het CAM-segment. Daarom is het teleurstellend te moeten constateren dat u aan dat essentiele feit in uw schrijven voorbij gaat en er zelfs met geen woord over rept, laat staan dat (enige) nuancering valt te bespeuren van uw onjuiste uitspraak dat uitsluitend CAM niet dan wel onvoldoende bewezen zou zijn. Mede door uw onjuiste standpunt wordt CAM in het geneeskundige veld immers reeds jaren lang ten onrechte op een aanzienlijke achterstand gezet – in gewoon Nederlands: gediscrimineerd – als gevolg waarvan bijvoorbeeld de kosten van CAM-zorg niet uit het basispakket worden vergoed maar daartegen afzonderlijk dient te worden verzekerd. Uw onjuiste visie draagt er bovendien toe bij dat de reguliere woordvoerders aan de door mij bepleite urgentie van het alsnog op basis van wetenschappelijke criteria in kaart brengen van de werkelijke betekenis van CAM, tot op heden veelal schouder ophalend voorbijgaan. Gaarne nodig ik u dan ook uit mij alsnog te doen weten of en zo ja, op welke wijze u alsnog bereid bent bij te dragen aan het elimineren van deze onjuiste beeldvorming inzake CAM en de nadelige gevolgen daarvan voor de vele CAM-patienten onder ogen te zien.

Terecht brengt u in uw schrijven eveneens tot uitdrukking dat u de keuzevrijheid voor de patient – zoals deze is verankerd in de Wet BIG- zeer belangrijk vindt. De verantwoordelijkheid om uit vrije wil naar een alternatieve zorgverlener te gaan ligt, naar u met juistheid opmerkt, uitsluitend bij de patient.

Met uw opvatting is naar mijn oordeel echter onverenigbaar het feit dat u als minister van volksgezondheid onlangs en eigener beweging gastvrijheid heeft betoond aan de Vereniging tegen de Kwakzalverij (hierna: VtdK) door haar bestuur ten departemente persoonlijk te ontvangen, een geste welke aan de koepel van de CAM-artsenberoepsverenigingen tot dusverre is onthouden. Het is u immers bekend dat de VtdK – een fundamentalistische splintergroep welker opvattingen ook in het reguliere veld geenszins gemeengoed zijn – al jaren lang juist een fanatiek tegenstandster is van de door u zozeer benadrukte keuzevrijheid van de patient. Zo streeft de VtdK er naar niet alleen naar om de Wet BIG – en daarmee ook de door u zo geroemde keuzevrijheid van de patient – zo spoedig mogelijk in de prullemand te doen belanden (dus herstel van het artsenmonopolie) maar progageert zij nota bene ook een beroepsverbod voor complementaire artsen. Ook voert de Vtdk als gevangene van haar eigen ideologie voortdurend allerlei onsmakelijke acties ad hominem tegen gewetensvolle CAM-artsen. Het is juist deze VtdK die mijn streven saboteert om de gedachtewisseling inzake regulier-CAM nu eindelijk eens op basis van strikt wetenschappelijk feiten te voeren. Uw nauwe contact met de VtdK, daarna nog gevolgd door uw videoboodschap ter gelegenheid van het vertrek van voorzitter C.N.M Renckens, doet bij mij dan ook de ernstige vraag rijzen of de door u centraal gestelde keuzevrijheid van de patient wel echt door u wordt gedragen dan wel louter met de mond wordt beleden. Vooralsnog houd ik het tot mijn spijt op het laatste waartoe ik het navolgende aanvoer.

In het periodiek van de VtdK, het Nederlands Tijdschrift tegen de kwakzalverij – jaargang 122, 2011, bladzijde 4 – is door de secretaris van de VtdK over uw ministeriele gastvrijheid het volgende opgemerkt : ’Ik had het daarnet al terloops even over ons bezoek aan de minister. Ik denk dat het een mijlpaal in het bestaan van de Vereniging is. Op de website is een uitgebreid verslag te vinden. Voorzover ik weet is het de eerste keer dat een minister het bestuur van de VtdK uitnodigde. Hadden we over haar voorganger Hoogervorst ook al niet te klagen, deze minister moet helemaal niets van alterneuten hebben en zou zo mee kunnen draaien in ons bestuur (cursivering van mij, de Vries).Net als wij vindt ze de koppelverkoop via de aanvullende pakketten maar niets, ze had zelf geprobeerd om een aanvullend pakket te krijgen waar geen alterneut in zat en dat was haar niet gelukt. Onderzoek naar gebruik van alternatieve geneeswijzen zal haar ministerie zeker niet bevorderen’. Ook wordt op de website van de Vtdk dd 19 september 2011 in een artikel – met het veelbetekende opschrift ‘Plezierig onderhoud VtdK-bestuur met de minister van VWS’ – glunder te kennen geven dat u als minister sympathisante bent gebleven (ook reeds als kamerlid) van het ideeengoed van de VtdK, dat u contact heeft met het ministerie van Financien over de mogelijkheid om de BTW-vrijstelling voor complementaire gezondheidsdiensten alsnog ongedaan te maken en waarbij u de visie van de VtdK leidend acht ( cursivering van mij, de Vries), dat u eveneens vindt dat alternatief-geneeskundige instellingen zich eigenlijk niet kwalificeren voor de ANBI-status, en ook nog dat volgens u een apart register van alternatieve behandelaars /niet artsen niet aan de orde is. Wat dat register betreft adviseer ik u de tekst van artikel 11, eerste lid, letter g, onder 1 sub a van de Wet op de Omzetbelasting 1968 eens goed door te lezen.

Het feit dat u aldus de loper voor de Vtdk breed heeft uitgelegd en aldaar een aantal niet voor misverstand vatbare negatieve uitspraken over CAM heeft gedaan en ook nog zint op een aantal notoire anti-CAM-maatregelen, noodzaken mij ertoe om de inhoud van uw brief dd 23 december 2011 vanuit dat gegeven nog eens kritisch tegen het licht te houden.

Aangenomen dat deze berichtgeving van de Vtdk over uw uitspraken en beleidsplannen tegen CAM juist zijn, kan mijn conclusie geen andere zijn dan dat u zich als minister uitgesproken negatief, ja zelfs vijandig, tegenover CAM en haar behandelaren wenst te profileren. Alsdan spreekt u derhalve als minister met twee monden omdat u in de toonzetting van uw brief de schijn wekt een neutrale en onbevooroordeelde opstelling tegenover CAM in te nemen. In werkelijkheid geeft u er echter blijk van dat het bestaan van CAM – en het beroep dat daarop door patienten wordt gedaan – u een doorn in het oog zijn. Daarmee is uiteraard ook uw beroep op de keuzevrijheid van de patient, zoals in uw brief omschreven, volstrekt ongeloofwaardig geworden. Uw afkeurende opstelling jegens CAM blijkt bovendien uit het feit dat u ter gelegenheid van het afscheid van de voorzitter van de VtdK op 8 oktober 2011 via een videoboodschap aan de aanwezige VtdK-leden heeft doen weten ‘dat u zich ergert aan bijna alle Nederlandse apotheken waar nogal wat schappen zijn gevuld met homeopatische producten’. Hier blijkt dus dat u – waar u er zich de Tweede Kamer nogal eens op voorstaat tegen overheidsbetutteling te zijn – aan de patienten die gebruik wensen te maken van de homeopathie hun keuzevrijheid in feite wenst te ontzeggen. En waar u zich voorts bij die gelegenheid zich ook nog de volgende vijandige uitspraak jegens CAM heeft veroorloofd : ‘Het is aan ons allemaal om de aantrekkelijkheid van alternatieve geneeswijzen te relativeren. Het is goed dat de VtdK ons scherp houdt’, – en met het woord ‘ons’ bedoelt u kennelijk uzelf als minister plus de Vtdk – is wel duidelijk dat uw brief weinig meer behelst dan een (mislukte) poging om mij ten aanzien van uw werkelijke standpunt en beleidsopties inzake CAM zand in de ogen te strooien. Vandaar mijn klemmende vraag: welke koers vaart u nu eigenlijk, mevrouw de minister?

Ter besluit merk ik op het op prijs te stellen als u op deze principiele vraag en mijn andere opmerkingen inhoudelijk zou willen ingaan. Ik meen daarop temeer aanspraak te kunnen maken omdat u thans de verdenking op u heeft geladen aan CAM geen (volwaardige) plaats binnen het Nederlandse zorgbestel te gunnen. Hierdoor is uw geloofwaardigheid als minister ten volle in het geding, hetgeen voor mij als staatsburger uiteraard verre van aangenaam is. Ik hoop overigens dat in uw antwoord tevens duidelijk het besef doorklinkt dat u de minister bent van alle Nederlanders, dus ook van de Nederlandse patienten die krachtens hun keuzevrijheid gebruik wensen te maken van CAM, ja, dat u zelfs minister bent van al die Nederlandse patienten die – ondanks uw ergernis – een legitiem beroep doen op homeopathie.

Mocht u er de voorkeur aan geven deze aangelegenheid met u persoonlijk ten departemente nader te bespreken, dan zie ik een daartoe strekkende uitnodiging gaarne tegemoet.

In afwachting van uw bericht verblijf ik met de meeste hoogachting en vriendelijke groet,

N.H. de Vries

Berichten

  1. Ina Dupain zegt:

    Complimenten! Wat zou het geweldig zijn als een wijs man als de heer De Vries door kon dringen en een verandering kon brengen in deze zinloze gang van zaken. Patienten hebben recht op een alternatief op het verwijderen van bepaalde overbelaste lichaamsdelen, op het vergiftigen van het lichaam door chemokuren en medicijnen, op het verbranden en verminken van hun lichaam.
    Mensen zouden door hun overheid en adviesorganen echte, eerlijke adviezen moeten krijgen.
    Mag ik deze briefwisseling delen op facebook?

    Hartelijke groet,
    Ina Dupain

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *