Grootste objectieve website voor
 complementaire en alternatieve geneeskunde

IOCOB

Home > Adviseurs > Professor F. J. Verheijen, vergelijkend dierfysioloog, in Memoriam

Professor F. J. Verheijen, vergelijkend dierfysioloog, in Memoriam

Share |
Professor Jan Verheijen (1920-2016)

Professor Jan Verheijen (1920-2016)

Op 26 april 2016 stierf een markant wetenschapper, professor F. J. Verheijen, bioloog, geboren op 14 mei 1920. Op 7 juli 1958 promoveerde Jan op ‘The mechanisms of the trapping effect of artificial light sources upon animals’ bij de beroemde fysioloog prof.dr. Sven Dijkgraaf. Naast Sven Dijkgraaf was prof. dr. H.J. Jordan zijn voorloper. Jordan was auteur van o.a. het bijzondere boekje ‘Het leven der dieren in het zoete water’, uitgegeven in 1918, dat een van de begin hoofdstukken van de vergelijkende fysiologische hoofdstukken in Nederland inluidde.

In 1967 werd Jan gewoon lector vergelijkende fysiologie te Utrecht en in 1975 werd Jan Verheijen benoemd als hoogleraar vergelijkende dierfysiologie aan de universiteit van Utrecht. Zijn oratie had de opmerkelijke titel: ‘Ik zie ik zie wat jij niet ziet. Kijken op de wereld’ : 1976-j-verheijen-ik zie ik zie wat jij niet ziet. Dat boekje hebben we hier met toestemming van zijn dochter Jet opgenomen in de link, opdat het voor het nageslacht behouden blijft.

Jan Verheijen had een opmerkelijk gevoel voor humor  en relativiteit en als je goed kijkt zie je ook op deze foto een subtiele guitige trek rond mond en ogen.

Tot in dit decennium bleef de emeritus hoogleraar nog altijd een van de bekendste en meest geciteerde onderzoekers op het gebied van vissenwelzijn. Boeiend was dat hij pas ver na zijn emeritaat (her-)ontdekt werd door Amerikaanse ethologen als expert op het gebied van angst en pijn bij vissen. Enkele jaren geleden werd hij zelfs nog gevraagd een voorwoord te schrijven bij een groot Amerikaans boek over het gedrag van vissen. Meerdere keren werd hij in de NRC en in andere kwaliteitskranten als expert op het gebied van vissen opgevoerd.

Verheijen was in de jaren 70 van de vorige eeuw een frequent bezoeker van de Maarseveense plassen, en menig bioloog ontmoette daar zijn hoogleraar op het groene gras en in de meest schone plas van Nederland, rijk aan o.a. karpers. Maar de meeste biologen kennen professor Verheijen als een van de meest markante hoogleraren die de subfaculteit rijk was, een begaafd docent en een zeer kritisch mens. Natuurlijk moesten we in de jaren 70 van hem niet alleen het Nederlandse leerboek van de dierfysiologie van Dijkgraaf en Vonk er op na slaan, maar met name ons richten op het boek van Bradley T. Scheer, Animal Physiology, een super exact leerboek voor die tijd. Onder zijn leiding werd ook de ethologie van de vergelijkende dierfysiologie afgesplitst, en zijn leerling Jan van Hooff werd de eerste hoogleraar in dat vakgebied.

Professor Verheijen had een grote hekel aan wazig formuleren en hij vond met name dat aandacht uit moest gaan naar de juiste vraagstelling. Zo vielen mij de schellen van de ogen, toen ik zijn  krstalheldere uitleg hoorde over waarom de “Waarom?” vraag zo een grote onzin was. Waarom?, dat vragen leken. Biologen vragen Waartoe? ( de finale vraag), en Waardoor? (de causale vraag). Een verschil dat tot  nu toe door artsen niet gekend wordt.

In 2007 schreef hij nog een boeiend exposé over Pijn voor het instituut voor Neuropathische Pijn. Die beschouwing is nu weer helemaal hot, nu de eigenheid van het dier weer herontdekt is. Professor Verheijen meende dat het ontstaan van het subject al lang geleden plaatsvond, rond het cambrium (500.000.000 jaar geleden).

Hoe dood je humaan een paling

Ik had het geluk niet alleen vele colleges van hem te mogen meemaken, maar ook om hem mee te mogen maken lang na zijn emeritaat. Zo bespraken we aan het begin van deze eeuw vele nieuwe artikelen op het gebied van pijn bij  dieren, en met name de vraag of dieren kunnen voelen. (bijvoorbeeld het overzicht van Gordon Blackburn-Munro in Trends in Pharmacological Sciences 2004, 25:299-305 over het gebruik van het diermodel bij onderzoek over de bestrijding van chronische pijn bij de mens). Hij was toen ook bezig aan zijn ‘Zwanenzang’, zo zei hij, om nog een keer helder over dat onderwerp te schrijven. In die tijd kwam ook het verzoek uit de VS om een recent boek op dit gebied te becommentariëren, en dat is zijn zwanenzang geworden.
In die periode vertelde hij me een mooi verhaal.

Hij was gevraagd om licht te werpen op de toen in de visserij nijpende vraag over hoe een paling humaan te doden. De kop afsnijden was niet de oplossing, aangezien de aal dan nog vele uren bleef leven. Hij zat aan een grote ronde tafel vol met experts en vissers en merkte op dat er maar een methode was om een paling humaan te doden. Doodse stilte en iedereen was zeer benieuwd. Nou, mijne heren, zei de professor, je legt een paling op een plat bord, en dat bord plaats je onder een heipaal. Vervolgens laat je de heipaal vallen op de paling op het bord. Geheid dat de paling meteen humaan sterft…..

Met het heengaan van Jan is een bijzonder mens van de aarde verdwenen, een bioloog uit een generatie van echte biologen, en een zelfstandig denker, zoals er te weinig van zijn. Hij leeft voort in onze gedachten.

Addendum van een collega

Ik was vanaf 1971 werkzaam als hoofd van de Elektronische Werkplaats van de vakgroep
Vergelijkende Fysiologie in de Jan van Galenstraat tot aan mijn vervroegde pensionering
in 2006. Vooral in mijn beginjaren toen de afdeling ‘dier-fysiologie’ daar ook nog gehuisvest was, en ook prof. Dijkgraaf de vakgroep leidde, was het een prachttijd: er was voldoende geld, de gemiddelde leeftijd van de werknemers lag behoorlijk laag en het enthousiasme van iedereen voor zijn werk heel groot.

Doordat de Universiteit nog niet geconcentreerd was in de Uithof, maar verdeeld over vele lokatie, was ons lab min of meer ‘selfsupporting’ met een eigen elektronische en mechanische werkplaats, eigen administratie en dierverzorging. Dit alles op een ‘menselijke’ schaal waardoor er prima onderling contact was met goede verhoudingen en een sterk ‘WIJ-‘gevoel voor het lab. Er zat echt vooruitgang in de zaak en als je het niet TE gek maakte kon er veel en werden onbekende wegen ingeslagen zowel wetenschappelijk als ook op technisch gebied.
Proefopstellingen werden ge-automatiseerd. Eerst met conventionele elektronica, later met
geïntegreerde schakelingen en daarna met de eerste microprocessoren gevolgd door
de personal computers.

In die tijd ontstond ook de splitsing in de groepen Neuro- en Socio-ethologie waarvan respectievelijk dr. Jan Verheijen en dr. Jan van Hooff het hoofd werden.
Door de toenemende technische mogelijkheden en vooral de miniaturisering en automatisering
ging het onderzoek met sprongen vooruit.

Enkele onderzoeken uit die tijd:

1. Het visuele onderzoek van wijlen dr. Wim Nuboer (o.a. kleuronderscheiding bij kippen) waarvoor volledig geautomatiseerde opstellingen werden gebouwd.
2. Bij het richting-horen onderzoek van dr. Arie Schuyf werd als eerste uitgebreid gebruik gemaakt van de Apple ][ computer, zowel voor het genereren van 3D geluidsvelden onder water
als ook voor de data-aquisitie van respons van vrij-zwemmende haaien langs ultra-sone verbinding.
3. Ook het onderzoek van het elektrisch-gevoelige systeem van vissen (o.a. meerval) door dr. Rob C. Peters en dr. Frank Bretschneider maakte volop gebruik van de moderne technieken voor
signaal-aquisitie en generatie en dataverwerking. Mede door hun ‘Practicum zaal’ met elektrofysiologische opstellingen konden biologen reeds vroeg uiterst waardevolle praktische
ervaring op doen met deze materie.

Een studenten project: kleuren zien bij de kauw

Het project met doctoraal en kandidaats studenten (rond 1975-1978): kleuren zien bij de kauw.
De kauwen opstelling werd in de vakgroep ‘De Driesprong’ genoemd, vanwege zijn drie -armige constructie met in het midden een draaischijf waardoor waardoor van boven af licht naar binnen kon dat gepolariseerd werd in de richting van een van de drie armen. Bedoeling was om de kauw vanuit het eind van een van de armen te laten vliegen naar het eind van die tegenover hem liggende arm waarheen de polarisatie-richting wees. We gebruikten voor de automatisering een ‘single board computer’ KIM 1 met als invoer een toetsenbordje met cijfers 0 tm 9 en letters A tm F en een ditto LED display geprogrammeerd in assembler programmeertaal.
Het programma samen met de ruimte voor de dataopslag paste in enkele kiloBytes RAM geheugen. Het programma werd geladen vanaf een audiocassetterecorder en dat duurde wel 10 minuten. Bekend in die tijd (1976) waren de radiouitzendingen van Hobbyscope dat aan het eind van de uitzending programma’s voor dit soort computers uitzond. Er is veel veranderd in relatief korte tijd.

De Computerizatie

Ook voor de Vergelijkende fysiologie afd. Sociologie van prof. Jan van Hooff begon in die tijd het computer-tijdperk. Eerst in de vorm van encodings-apparatuur met ponsband voor het snel coderen van gedrags-opservaties en de computer van het Accu voor de dataverwerking .
Later kwamen de eerste draagbare computers in gebruik bij het apenonderzoek in de bossen van Sumatra door dr. Ronald Noë en dr. Liesbeth Sterck.

Toch was de apparatuur uit die beginjaren eenvoudig vergeleken bij de apparatuur die in het begin van deze eeuw werd gebruikt: de maximale geheugencapaciteit van onze computers was gegroeid van een miezerige 48 KBytes tot enkele MBytes en de kloksnelheid van 1 MHerz naar 8 MHerz.

Bij mijn pensionering was een en ander nogmaals enorm verbeterd en wordt tegenwoordig gemeten in Giga Bytes, Giga Herz en wordt er gewerkt met meerdere processoren tegelijk!

Terugkijkend op 35 jaar ‘Vergelijkende’ zoals wij onze vakgroep Vergelijkende Fysiologie toen noemden, kan ik zeggen: “Het was een fijne tijd!”

Rob van Weerden

Bron:

Vergelijkende Dierfysiologie – Introductie – De Grondleggers

Een aantal publicaties van Professor Jan Verheijen

F.J. Verheijen (2007) Pijn: filosofie en biologie

Dijkgraaf S., Verheyen F.J. (1950)
Investigations on the sense of hearing in fish
Acta Physiol. Pharmacol. Neerl. 1, 503-505.

Dijkgraaf S., Verheijen F.J. (1950)
Neue Versuche über das Tonunterscheidungsvermögen der Elritze
Z. vergl. Physiol. 32, 248-256.

Verheijen F.J. (1956)
Transmission of a flight reaction amongst a school of fish and the underlying sensory mechanisms
Experientia 12, 202-204.

Verheijen F.J. (1956)
On a method for collecting and keeping clupeids for experimental purposes, together with some remarks on fishery with light-sources and a short description of free cupulae of the lateral line organ on the trunk of the sardine, Clupea pilchardus Walb
Pubbl. Staz. Zool. Napoli 28, 225-240.

Verheijen F.J. (1958)
The mechanisms of the trapping effect of artifical light sources upon animals. Diss.
Arch. Néerl. Zool. 13, 1-107.

Verheijen F.J. (1959)
A peculiar nystagmus and a corresponding foveal structure in the eye of the herring (Clupea harengus L.)
Experientia 15, 443.

Verheijen F.J. (1959)
Absence of alarm substance in some Clupeids
Pubbl. Staz. Zool. Napoli 31, 146-152.

Verheijen F.J. (1960)
Aquarium studies: New possibilities in sardine research
Proc. of the World Scientific Meeting on the Biology of Sardines and related Species 3, 1015-1031.

Verheijen F.J. (1961 )
A simple after image method demonstrating the involuntary multidirectional eye movements during fixation
Optica Acta 8, 309-311.

Verheijen F.J. (1962)
Alarm substance and intra-specific predation in cyprinids
Naturwissenschaften 49, 356.

Verheijen F.J. (1962)
Gas spitting by alarmed fish disturbs their hydrostatic equilibrium
Science 137, 864-865.

Velthuis H.H.W., Verheijen F.J. (1963)
Why the combination of sun and snow can be fatal to honeybees
Bee World 44, 158-162.

Verheijen F.J.(1963)
Alarm substance in some North American cyprinid fishes
Copeia, 174-176.

Verheijen F.J. (1963)
Apparent relative movement of “unsharp” and “sharp” visual patterns
Nature 199, 160-161.

Verheijen F.J., Oosting, H. (1964)
Mechanism of visual autokinesis
Nature 202, 979-981.

Velthuis H.H.W., Verheijen F.J., Gottenbos A.J. (1965)
Laying worker honey bee: similarities to the queen
Nature 207, 1314.

Dijkgraaf S., Wijffels H., Thinès G., Verheijen F.J. (1967)
Apprentissage d’un labryrinthe simple par des téléosténs isolés ou groupés d l’espèce Barbus ticto. Arch. Néerl. Zool. 17, 376-402.

Verheijen F.J., Groot S.J. de (1967)
Diurnal activity pattern of plaice and flounder (Pleuronectidae) in aquaria
Neth. J. Sea Res. 3, 383-390.

Wijffels H., Thinès G., Dijkgraaf S., Verheijen F.J. (1967)
Apprentisage d’un labyrinthe simple par des Téléostéens isolés ou groupés de l’espèce Barbus ticto (Hamilton) (Pisces, Cyprinidae)
Arch. Néerl. Zool. 17, 376-402.

Verheijen F.J. (1968)
De vanglamp, de maan en nog wat
Ent. Ber. 28, 58-60.

Groot S.J. de, Norde R., Verheijen F.J. (1969)
Retinal stimulation and pattern formation in the common sole, Solea solea (L.)
Neth. J. Sea Res. 4, 339-349.

Verheijen F.J. (1969)
Some aspects of the reactivity of fish to visual stimuli in the natural and in a controlled environment
FAO,Fish. Rep. 2, 417-429.

Verheijen F.J. (1969)
Analyse van enige voor oriëntatie belangrijke ruimtelijke eigenschappen van lichtvelden
Vakbl. Biol. 49: 135-145.

Verheijen F.J., Reuter, J.H. (1969)
The effect of alarm substance on predation among cyprinids
Anim. Behav. 17, 551-559.

Verheijen F.J., Wildschut J.T. (1973)
The photic orientation of hatchling turtles during watedinding behaviour
Neth. J. Sea Res. 7, 53-67

Verheijen F.J., Gerssen-Schoorl K.B.J. (1975)
Photoklinokinesis in planarians?
Neth. J. Zool, 25, 443-458.

Verheijen F.J. (1978)
Orientation based on directivity, a directional parameter of the animal’s photic environment
Proc. Life Sciences. Springer Verlag, Berlin, Heidelberg, New York, 447-458.

Verheijen F.J. (1979)
In search of a parameter for the quantification of the degree of anisotropy of a light field
Med. Term. Clim. 41-42, 18-21.

Verheijen F.J. (1981)
Bird kills at tall lighted structures in the USA in the period 1935-1973 and kills at a Dutch lighthouse in the period 1924-1928 show similar lunar periodicity
Ardea 69, 199-203.

Verheijen F.J. (1981)
Bird kills at lighted man-made structures: not at nights close to full moon
Am. Birds 35, 251-254.

Verheijen, F.J. (1982)
Environmental features and orientation
In: Addink A.D.F., Spronk N. (eds.). Exogenous and endogenous influences on metabolic and neural control, Pergamon Press, Oxford, 1, 371-382.

Verheijen F.J., Fingal J.A. (1982)
The eyes of man as a photic bisensor system
Behav. Brain Res. 6, 389-395.

Verheijen F.J. (1985)
Photopollution: Artificial light optic spatial control systems fail to cope with. Incidents, causations, remedies.
Exp. Biol. 44, 1-18.

Berichten

  1. Kees Kruyswijk zegt:

    in 1972-73 heb ik college gelopen bij Jan Verheyen.Ik herken veel van hem in de beschrijving van wie hij was. Boven de opgaven van een schriftelijk tentamen zette hij: Wees kort en bondig. Tracht niet eventuele lacunes in uw kennis te verbergen door omhaal van woorden of door het vermelden van dit gevraagde feiten. De glimlach op de foto past daarbij. Ik heb goede herinneringen aan deze man. Dank voor dit in memoriam.

  2. Kees Kruyswijk zegt:

    correctie: vermelding van niet gevraagde feiten.

  3. DANK< erg leuk om te lezen en zeer herkenbaar!

  4. Rob van Weerden zegt:

    Zeer goede persoonsbeschrijving!

    Eventuele toevoeging:
    Hij hield van eenvoudige oplossingen en had een hekel aan ingewikkelde techniek en dus aan ‘moderne nieuwlichterij’ met computers (zoals Apple ][‘s).
    Hij gaf de voorkeur aan een ‘houtje touwtje’ maar uiterst slimme oplossing.

    1. Dank Rob, Fijn dat we de oude prof toch zo nu en dan weer meenemen in onze gedachten! Jan

  5. Rob van Weerden zegt:

    Eventuele correcties in de regels:

    Verheijen meende dat het ontstaan ven het subject…..
    Verheijen meende dat het ontstaan ‘van’ het subject

    een zelfstandig denker, zoals er te van zijn.
    een zelfstandig denker, zoals er te weinig van zijn.

  6. correcties in dank uitgevoerd

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *