complementaire en alternatieve geneeskunde
|
|
| Vereniging tegen de kwakzalverij begaat fiscale blunder |
|
Onder de titel 'BTW op alternatieve geneeskunde' betuigt Jan Willem Nienhuys op de website van de Vereniging tegen de kwakzalverij dd 22 oktober 2008 zijn - uiteraard - warme instemming met het plan om met ingang van 2009 BTW te heffen over medische diensten van complementaire artsen. Nienhuys brengt zijn vurige adhesie daarvoor als volgt onder woorden: 'Het beginsel gelijke behandeling, gelijk BTW-tarief' staat bovenaan. Dus iedereen is vrijgesteld van BTW als die iets doet waarover een dokter ook geen BTW behoeft te betalen. De overheid reguleert echter alleen zorg die 'evidence based' is. Maar de overheid is geen medicus'. En verder geeft Nienhuys te kennen: 'Het criterium dat in het belastingplan 2009 is aangegeven komt er op neer dat wat in principe door de universiteit wordt erkend en ook daar wordt onderwezen, vrijgesteld is van BTW, en de rest niet'. De wiskundige Nienhuys, die ook allerlei gespierde standpunten uitvent op het gehele terrein van de geneeskunde, tracht zich hier thans wederom te profileren als een veelzijdig man doordat hij zich ook al op fiscaal terrein beweegt. Het schaatsen op rechtsgeleerd ijs is echter een riskante activiteit welke, indien zij, zoals door Nienhuys, ondoordacht wordt beoefend, tot regelrechte uitglijders en een smadelijke val kan leiden. Nienhuys snapt namelijk niets van het gelijkheidsbeginsel.
Het gelijkheidsbeginsel houdt voor de rechtstoepassing in dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld, aldus ook het discriminatieverbod in de Grondwet, maar tevens dat ongelijke gevallen naar de mate van hun ongelijkheid verschillend worden behandeld (gedifferentieerde rechtstoepassing). Wat is echter gelijkheid? Een uroloog is arts, een gynaecoloog is arts, en een huidarts is arts enz. Legt de wetgever het gelijkheidscriterium aan bij het zijn van arts (het gemeenschappelijke beroepskenmerk dus), dan is sprake van gelijkheid. Wordt de gelijkheidstoets echter aangelegd bij de door deze dokters verrichte maar onderling sterk verschillende professionele werkzaamheden, dan is duidelijk sprake van ongelijkheid. De Wet BIG en fiscale wetgever leggen de beoordelingsmaatstaf hier terecht aan bij het gezamenlijke beroepskenmerk, het zijn van medicus, en omdat de overheid, in lijn met de zienswijze van Nienhuys, zelf geen medicus is, slaat zij bij de toepassing van de medische BTW-vrijstelling geen acht op het onderlinge verschil in beroepsverrichtingen. Complementaire artsen zijn evenzeer, en in volle omvang, medici. Ook hier is de overheid dan juist op grond van het door Nienhuys aangevoerde gelijkheidsbeginsel gehouden om bij toepassing van de medische vrijstelling de feitelijke verrichtingen van complementaire dokters buiten beschouwing te laten zodat op die grond de vrijstelling eveneens geheel in stand dient te blijven. Zo niet, dan maakt de overheid zich schuldig aan wettelijke discriminatie. Nienhuys snapt dan ook niets van het vigerende gelijkheidsbeginsel omdat zijn beroep op dat beginsel zich immers in volle kracht tegen zijn eigen opvattingen keert. Gevolg: een scheve schaats, gevolgd door een smadelijke val. Nienhuys' beroep op het gelijkheidsbeginsel leidt ook tot ingrijpende gevolgen voor reguliere doktersIn de droomwereld van Nienhuys 'reguleert de overheid alleen de zorg die evidence based is'. De werkelijkheid omtrent EBM is echter totaal anders. Nienhuys c.s. zijn inmiddels, hoewel zij anders doen voorkomen, terdege doordrongen van het feit dat naar hedendaagse gegevens slechts circa 30% van de reguliere geneeskunde 'evidence based medicine' is, terwijl de overige circa 70% reguliere behandelvormen niet wetenschappelijk bewezen zijn. Indien de opheffing van de BTW-vrijstelling, zoals deze met zoveel geestdrift door Nienhuys wordt bepleit, gerechtvaardigd is doordat zijns inziens uitsluitend complementaire artsen onbewezen geneeskundige handelingen verrichten - hetgeen overigens een volstrekt onjuist standpunt van Nienhuys is - dan leidt het onbegrip van Nienhuys inzake de toepassing van het gelijkheidsbeginsel voorts tot de onontkoombare conclusie dat alsdan ook de reguliere dokters met ingang van 2009 BTW verschuldigd zullen worden over circa 70 % van hun regulier-medische verrichtingen. Die conclusie zal Nienhuys wel niet voor ogen hebben gestaan. Te hopen valt dan ook dat Nienhuys in de toekomst lering zal brengen uit het begaan van zijn fiscale blunder die - weliswaar onbedoeld maar niettemin - ook aan de beroepsgroep der reguliere dokters groot financieel nadeel zal berokkenen. Juist omdat de overheid zelf, ook volgens Nienhuys, geen medicus is - noch dat behoort te zijn - dient zij zich niet te bemoeien met de aard en inhoud van de door (reguliere en niet-reguliere) artsen uitgevoerde diverse medische verrichtingen. En nog daargelaten dat de opstelling van Nienhuys voor de reguliere dokters eveneens tot de uiterst onaantrekkelijke situatie voert dat deze groep door de overheid met ingang van 2009 ook nog wordt opgezadeld met onuitvoerbare splitsingsopdrachten tussen vrijgestelde en belastbare medische diensten. De universiteit van Madurodam als modelNienhuys heeft echter nog een noodscenario ingebouwd. Niet het onderscheid tussen de feitelijke verrichtingen door reguliere en complementaire dokters biedt, zoals hier is aangetoond, enige valide grondslag aan het vervallen van de medische BTW-vrijstelling voor uitsluitend complementaire artsen. Het volgende noodscenario van Nienhuys moet echter nog uitkomst bieden: het argument om de complementaire artsen alsnog buitenspel te zetten is dan dat zij niet de geneeskunde beoefenen die 'in principe door de universiteit wordt erkend en ook daar wordt onderwezen'.Ook dit is een volstrekt ondeugdelijk criterium. Afgezien van het feit dat op de Nederlandse universiteiten onderwijs moet worden gegeven over de aard en betekenis van alternatieve geneeswijzen (Artikel 3 van het Besluit Opleidingseisen arts, KoninklijK Besluit 3 mei 2004, Staatsblad 2004, nummer 286), zijn alle universitaire onderwijs- en onderzoeksprogramma's sterk plaats- en tijdsgebonden en dito wisselende grootheden waarop vanzelfsprekend geen consistent langjarig overheidsbeleid kan worden ontwikkeld. Als daarbij ook nog, zoals Nienhuys doet, de mondialisering van het universitaire bestel uitdrukkelijk buiten beeld wordt gehouden en hem klaarblijkelijk slechts een soort universiteit van Madurodam voor ogen staat als model voor de ontwikkeling van de Nederlandse geneeskunde, dan ziet het er hier inderdaad somber uit.
Maar indien een minister van VWS tevens open staat voor de hoopgevende ontwikkelingen elders in de wereld, zoals die zich bijvoorbeeld voltrekken aan Amerikaanse topreguliere universiteiten en dito ziekenhuizen alwaar de integratieve geneeskunde sterk in opmars is, dan is deze perspectiefvolle en onmisbare tak van geneeskunde zelfs de geneeskunde van de toekomst.
Powered by JoomlaCommentCopyright (C) 2006 Frantisek Hliva. All rights reserved.Homepage: http://cavo.co.nr/ |
||
|
|
| Bezoekers? |
|---|
| We hebben 33 gasten online |
|
Onze sponsor
Uw advertentie hier? |
|
|
|
|
van complementaire behandelwijzen. Alle rechten voorbehouden.
