complementaire en alternatieve geneeskunde
|
|
| Voorzitter antikwakkers snapt weinig van kwakzalverij |
Wat is kwakzalverij ?Op deze vraag lijkt het antwoord tamelijk simpel. Toch ontbreekt deze schijnbare eenvoud in kringen van de VtdK. Daar wordt namelijk gepraktiseerd met een geheel eigen definitie van kwakzalverij welke, afgezien van haar wijdlopigheid, haaks staat op wat daaronder door de Nederlandse bevolking wordt verstaan. Voor de doorsnee Nederlander is kwakzalverij immers een uiterst bedenkelijke activiteit waarbij onder het mom van geneeskunde of therapie ondeugdelijke behandelwijzen worden aangeboden of toegepast welke berusten op onwetendheid dan wel bedriegelijke oogmerken van de kwakzalver. Korter gezegd: een kwakzalver is in het normale spraakgebruik een therapeutische prutser die handelt vanuit grove onnozelheid of kwade trouw. Het woord kwakzalver fungeert dus mede als een (grof) scheldwoord. De dubbele bodem van de VtdK- definitie van kwakzalverijMaar deze normale betekenis van het woord kwakzalverij geldt niet in kringen van de VtdK. Daar heeft men het begrip kwakzalverij zodanig omschreven dat daaruit de verwijzing naar de negatieve eigenschappen der kwakzalver – zoals diens onnozelheid, misleiding, bedrog of oplichting – is verwijderd. Hieraan ligt echter een terminologische list ten grondslag. De VdK wilde namelijk via deze eigen definitie de weg vrijmaken om artsen en gekwalificeerde therapeuten die deskundig, te goeder trouw en gewetensvol CAM-behandelvormen inzetten - en die dus als groep niets van doen heeft met echte notoire kwakzalvers – ook als kwakzalvers te kunnen brandmerken. Dat is dan ook de dubbele bodem onder de definitie van de Vtdk : in schijn is haar actieradius verkleind (de negatieve eigenschappen betreffende de persoon van de kwakzalver zijn verwijderd ) maar in werkelijkheid is haar draaicirkel aanmerkelijk vergroot (niet-kwakzalvers kunnen voortaan ook voor kwakzalvers worden uitgemaakt). Kwakzalverij krijgt als scheldwoord ten onrechte een groter bereikHet ‘opgeschoonde’ woord kwakzalverij leent zich er dus - anders dan vroeger - uitstekend voor om ook als scheldwoord te gaan dienen in situaties waarin gekwalificeerde CAM-behandelaren volgens het normale spraakgebruik helemaal geen kwakzalvers zijn. De inperking van de begripswaarde van het woord kwakzalverij laat namelijk de uiterst ongunstige gevoelswaarde van dat woord volledig in stand vanwege de bij wijze van reflex onverminderd optredende associaties met de negatieve kwaliteiten van de persoon van de kwakzalver. De Vtdk heeft hier dus met de ene hand meer teruggenomen dan zij met de andere hand niet eens heeft weggegeven. Het woord kwakzalverij kan aldus onbekommerd worden ingezet om integere CAM-artsen als (vermeende) kwakzalvers op te jagen, te treiteren en uit te schelden aan welke abjecte bezigheid de VtdK zich al jaren lang met zichtbaar plezier overgeeft.De Hoge Raad sanctioneert het gebruik van kwakzalverij als scheldwoordDe Hoge Raad der Nederlanden heeft in het proces-Sickesz (*1) deze misleidende definitie van de VtdK niettemin gevolgd, hetgeen nogal vreemd is. Het woord kwakzalverij blijft daardoor geschikt om in gevallen, waarvoor dat niet is bedoeld, als grof scheldwoord te worden ingezet. Ter vergelijking met deze nogal opzienbarende beslissing van de Hoge Raad: er zullen maar weinigen zijn die het aanvaardbaar vinden dat iemand in het openbaar voor dief mag worden uitgescholden mits er maar – zelfs in zeer bedekte termen of op fluistertoon - wordt bijgezegd dat de dief niets gestolen heeft. En wie zou het leuk vinden om in een krant of tijdschrift van overspel te worden beticht als daaraan - in de hele kleine lettertjes uiteraard - wordt toegevoegd dat de overspeler niet met enig andere vrouw dan de zijne heeft geslapen? Uiteraard ging bij de VtdK de vlag dan ook uit toen bleek dat de Hoge Raad deze terminologische list niet heeft doorzien en dit meebracht dat aan het woord kwakzalverij op basis van zijn aanpaste inhoud, aldus een veel ruimer bereik als scheldwoord ten deel viel dan voorheen. Uiteraard maakt de VtdK van deze haar in de schoot geworpen mogelijkheid nog dagelijks een zeer gretig gebruik. In plaats van te stoppen met het bezigen van het scheldwoord kwakzalverij en zich voortaan te noemen ‘vereniging tegen onbewezen geneeskunde’ kiest de Vtdk welbewust voor de blijvende aanbidding van deze schofferende term en daarmee dus voor de teloorgang van de intercollegiale beschaving. Maar als de beschaving wankelt, wankelt de wereld.De Vtdk-definitie in de praktijkHet behoeft geen betoog dat de op geneeskundig terrein optredende notoire prutsers – zoals warhoofden, ongeletterden, oplichters en andere bedrogplegers - zowel in de volksmond als volgens de definitie van de VtdK (echte) kwakzalvers zijn. Maar hoe wordt met deze definitie door de Vtdk omgegaan bij CAM- artsen en gekwalificeerde therapeuten die de regels van het geneeskundevak wel degelijk beheersen en daarbij gewetensvol – al dan niet ter aanvulling – andere dan reguliere behandelvormen inzetten welke volgens hen bewezen effectief en veilig zijn dan wel tot de in CAM-sector beproefde ervarings-geneeskunde behoren? Daartoe moet te rade worden gegaan bij het volgende element in de definitie van de VtdK waarvan de tekst – en gecorrigeerd voor de daarin voorkomende taalfout – als volgt luidt: ‘Kwakzalverij is elk beroepsmatig handelen (..) in relatie tot de gezondheidstoestand van de mens (..) dat niet is gefundeerd op toetsbare logische dan wel empirische houdbare hypothesen en theorieën’.VtdK valt door de mand als kwaliteitsbeoordelaar van geneeswijzenWat volgens de VtdK kwakzalverij is en wat niet, moet dus worden getoetst aan het hiervoor geciteerde kenmerk. Deze toetsing past de VtdK echter vrijwel nooit toe. In praktijk bedient de Vtdk zich namelijk gemakshalve van een geheel ander instrument, namelijk het bewijscriterium. Dat criterium houdt in dat volgens de VtdK van kwakzalverij sprake is ingeval voor de desbetreffende CAM-behandelvorm niet het wetenschappelijke bewijs voor haar effectiviteit en veiligheid is geleverd, ofwel niet ‘evidence based medicine’ (EBM) is. Daargelaten het feit dat een scala van complementaire behandelvormen wel degelijk EBM is, beseft de VtdK - nog steeds - niet dat op basis van haar eigen bewijscriterium alsdan ook het merendeel van de reguliere behandelwijzen als kwakzalverij moet worden beschouwd omdat daarvoor – hetgeen omnium consensu is - het wetenschappelijke EBM-bewijs ontbreekt.Niettemin beschouwt de Vtdk de beproefde reguliere ervaringsgeneeskunde – hoewel niet EBM - niet als kwakzalverij terwijl zij dito CAM-ervaringsgeneeskunde daarentegen wel als kwakzalverij aanmerkt. Daarmee valt de VtdK met haar wetenschappelijke pretenties als kwaliteitsbeoordelaar van het pallet aan geneeswijzen uiteraard volledig door de mand. Inzake de effectiviteit en veiligheid van het merendeel der reguliere behandelvormen verlangt de VtdK immers geen wetenschappelijk bewijs terwijl die eis wel wordt gesteld aan de (vooralsnog) onbewezen complementaire behandelvormen. Deze tegenstrijdigheid is in wetenschappelijk opzicht uiteraard een doodzonde. Maar niet volgens de VtdK die er nog merkwaardiger obsessies op na houdt. De Vtdk eist bewijs inzake CAM maar is tegen wetenschappelijk onderzoek naar dat bewijsIngeval voor een bepaalde CAM- behandelvorm wel bewijs wordt aangedragen, trompetteert de VtdK reeds bij voorbaat dat het onderzoek niet deugt en dat het gemeten effect in werkelijkheid niet bestaat dan wel louter op placebo berust. Sterker nog: de Vtdk werpt zich zelfs al jaren op als een principieel tegenstandster van het wetenschappelijk onderzoek naar complementaire behandelvormen en hekelt om die reden het verlenen van overheidssubsidies aan een instelling als ZonMw. Dat verzet onthult de diep gewortelde fobie van de Vtdk tegen het aan het licht komen van de wetenschappelijke waarheid over CAM. In werkelijkheid is de VtdK dus een volstrekt incompetente beoordelaar van geneeswijzen en een niet serieus te nemen gezelschap dat zijn ideologische kreten betreffende kwakzalverij maar blijft doorpompen via het strikt gesloten circuit der eigen gelederen. Het in te nemen principiele CAM-standpunt in komende rechtsgedingenNu vaststaat dat van een behandelaar die een reguliere en in zijn beroepsgroep aanvaarde - maar onbewezen - behandelvorm toepast door de Vtdk generlei actie wordt geëist om zich te vrijwaren van het etiket van kwakzalver, heeft vanuit een oogpunt van rechtsgelijkheid, en mede ter voorkoming van discriminatie, principeel hetzelfde te gelden voor de vergelijkbare CAM-behandelaar die een therapie toepast welke in zijn eigen beroepsgroep als effectief, zinvol en veilig is geaccordeerd. In toekomstige rechtsgedingen tegen de Vtdk zal dit principiele standpunt door de eisende CAM-behandelaar die van kwakzalverij is beschuldigd, indringend onder de aandacht van de rechter moeten worden gebracht. Nieuw is ook dat de de huidige voorzitter van de Vtdk Catherine de Jong onlangs op Artsennet een kreupele omschrijving van kwakzalverij heeft gepresenteerd waaruit blijkt dat zijzelf niet eens weet wat kwakzalverij nu eigenlijk is. Bezien wij die nieuwe omschrijving daarom nader.De wartaal van Catherine de Jong over kwakzalverijDe VtdK beschouwt alle complementaire behandelvormen van oudsher als pure kwakzalverij wegens gebrek aan wetenschappelijk bewijs. CAM is volgens de Vtdk daarom onwerkzaam en nutteloos. Complementaire geneeskunde en kwakzalverij zijn voor de VtdK derhalve synoniemen. Dit blijkt ook uit de recente omschrijving van Catherine de Jong op Artsennet waaraan zij echter – en dat is nieuw - de volgende in vet gedrukte passage toevoegt : ‘Complementaire behandelvormen zijn diensten/en of producten die medisch niet zinvol zijn omdat er geen bewijs van werkzaamheid of bewijs van onwerkzaamheid is’.Afgezien van Catherine’s kletskoek dat een complementaire behandelvorm ‘medisch niet zinvol’ (sic) is omdat (?) haar werkzaamheid niet is bewezen - dat geldt immers ook voor het overgrote deel der reguliere behandelmethoden – betoogt zij dat van kwakzalverij bovendien sprake is bij complementaire behandelvormen waarvoor het bewijs van onwerkzaamheid ontbreekt. Ongetwijfeld refereert De Jong bij deze toevoeging aan het VSM-arrest inzake SRL-gelei (*2) waarbij het gerechtshof Amsterdam de Vtdk verbood om rond te bazuinen dat deze gelei onwerkzaam en nutteloos was omdat - ondanks het feit dat de fabrikant VSM de gepretendeerde werking niet kon bewijzen - de Vtdk het tegendeel, namelijk de onwerkzaamheid en nutteloosheid van het product, ook niet kon bewijzen. Waar De Jong het te leveren bewijs inzake de onwerkzaamheid - dat in dat arrest uitsluitend betrekking had op een in de handel gebracht therapeutisch product - in haar omschrijving ten onrechte naar analogie ook op complementaire diensten van toepassing acht, slaat zij vervolgens de plank volledig mis. Op basis van de bestaande definitie van de VtdK kon immers tot kwakzalverij worden geconcludeerd ingeval voor de werkzaamheid van een complementaire behandelvorm als zodanig geen bewijs bestond. In haar eigen omschrijving demonstreert De Jong echter niet te snappen waar zij als kwakzalverijbestrijdster nu eigenlijk mee bezig is. Haar omschrijving omvat namelijk twee mogelijkheden van kwakzalverij. De eerste mogelijkheid (de gebruikelijke benadering) doelt op kwakzalverij die zich voordoet ingeval de behandelaar niet kan bewijzen dat zijn verrichte CAM-dienst werkzaam is of – en dat is volgens de omschrijving de tweede mogelijkheid – is er kwakzalverij aanwezig ingeval het bewijs ontbreekt dat de in geding zijnde CAM-dienst onwerkzaam is. Deze door De Jong geschetste tweede mogelijkheid behelst echter onzin omdat, ingeval niet bewezen kan worden dat desbetreffende CAM-dienst onwerkzaam is, volgens het VSM-arrest nu juist geen sprake is van kwakzalverij. De Jong’s omschrijving bevat dus wartaal en stort daarmee als een kaartenhuis in elkaar. Vanwege deze afgang valt het te hopen dat voorzitter De Jong zich in de media voortaan wat bescheidener opstelt bij het lanceren van de echo-geluiden van haar voorganger en haar eigen – naar nu is aangetoond – kreupele visie op wat kwakzalverij is en waarmee zij andersdenkende collegae onbekommerd de maat meent te kunnen nemen. Noten
(*1) Arrest Hoge Raad 15 mei 2009, rolnummer 07/11133.
Powered by JoomlaCommentCopyright (C) 2006 Frantisek Hliva. All rights reserved.Homepage: http://cavo.co.nr/
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
| Bezoekers? |
|---|
| We hebben 27 gasten online |
|
Onze sponsor
Uw advertentie hier? |
|
|
|
|
van complementaire behandelwijzen. Alle rechten voorbehouden.
