complementaire en alternatieve geneeskunde
|
|
| Weerwoord aan de Vereniging tegen de Kwakzalverij |
|
Dit weerwoord richt zich met het oog op de komende verkiezingen tot het grote publiek, de diverse beroepsverenigingen in de zorg, de instellingen die belast zijn met toezicht op de kwaliteitshandhaving van de geleverde zorg zoals de Gezondheidsraad, de Inspectie van de Gezondheidszorg en de Medische Tuchtcolleges, de koepel van patientenorganisaties, de pers en andere media, en bij uitstek tevens tot de politiek. Speciaal voor politiciDe politici worden in dit weerwoord in het bijzonder aangesproken omdat de Vereniging tegen de Kwakzalverij (hierna: VtdK) zich blijkens haar publicatie op haar website www.antikwak.nl dd 27 maart 2010 onder de titel ‘De doelstellingen van de VtdK’ eveneens tot het publiek en de politiek heeft gewend met de onzinnige boodschap dat alle complementaire behandelvormen louter als kwakzalverij zijn te bestempelen en daarom krachtig bestreden moeten worden. De VtdK schuwt daarbij geen middel om de beoefenaren van complementaire geneeswijzen met naam en toenaam publiekelijk belachelijk te maken en te beschimpen in het kader waarvan de voorzitter van de VtdK zelfs voorstander is voor een algeheel beroepsverbod voor complementair werkende artsen en het instellen van een psychiatrisch onderzoek naar de geestesgesteldheid van deze dokters. Het is maar dat u het weet. De Vereniging tegen de Kwakzalverij: totalitaire geneeskunde...De VtdK draagt een totalitaire geneeskunde uit omdat zij de klok wenst eigenlijk terug te zetten naar de periode van voor de inwerkingtreding van de Wet BIG toen uitsluitend de reguliere dokters de dienst uitmaakten op het gehele terrein van de geneeskunde. Waar de maatschappelijke ontwikkeling er destijds echter toe noodzaakte om de verantwoordelijkheid voor de eigen gezondheid voor een belangrijk deel tevens bij de patient te leggen, werd het de patient aldus mogelijk werd gemaakt om met het oog op zijn/haar gezondheidsproblemen die vorm(en) van therapie - en de daarbij passende arts of therapeut - te (ver)kiezen welke hij/zij in zijn/haar specifieke situatie daarvoor het meest geeigend achtte. De VtdK is echter niet in staat gebleken om haar verstikkende moederbinding met de toestand in de voorperiode van de Wet BIG te verbreken. De VtdK is daardoor niet alleen blijven steken in een gedateerd beeld omtrent de mondigheid van de hedendaagse patient maar zij heeft zich tevens onmachtig betoond het maatschappelijke feit te erkennen dat buiten de gangbare geneeskunde een diversiteit van complementaire behandelvormen beschikbaar is waaraan talloze patienten met dankbaarheid steun, uitzicht en verlichting hebben ontleend en vaak ook genezing hebben ondervonden. IOCOB versus de VtdKIOCOB stelt zich dan ook op goede gronden ten doel om de effectiviteit en veiligheid van complementaire behandelvormen door middel van onderzoek van een wetenschappelijke grondslag te voorzien en haar bewezen resultaten dusdoende te integreren in de gangbare geneeskunde. Een totalitaire geneeskunde a la de VtdK is immers niet meer van deze tijd. Stichting IOCOB rekent het tot haar taak in dit weerwoord indringend te waarschuwen tegen het fundamentalistische gedachtengoed van de VtdK dat beoogt om tot schade van de patient de totstandkoming van deze waarlijk eigentijdse en geintegreerde geneeskunde te verhinderen. Stichting IOCOB zal thans nader ingaan op de negatieve boodschap van de VtdK zoals deze op 27 maart 2010 van de VtdK-website is verspreid. De VtdK is tegen de financiering van wetenschappelijk onderzoek naar veelbelovende complementaire therapieenDe VtdK betoogt op haar website dat de gezondheidszorg een samenhangend systeem is en dat ‘iedere uitzonderingspositie voor niet-reguliere behandelwijzen uit den boze is’. Ook geeft de VtdK hier het volgende te kennen:’ Onderzoeksprioriteiten dienen bepaald te worden door regulier-wetenschappelijke instanties. Aparte fondsen en/of aparte instituten voor onderzoek naar niet-reguliere dagnostiek en behandeling die zich onttrekken aan het reguliere peer review proces zijn derhalve niet wenselijk’.Hier manifesteert zich reeds de ware en totalitaire aard van de VtdK. Waar het haar uitkomt plaatst de VtdK de niet-reguliere behandelwijzen immers zelf in een uitzonderingspositie doordat zij in strijd met de vrijheid van wetenschapsbeoefening zich fel verzet tegen het vrijmaken van financiele middelen ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek naar veelbelovende complementaire therapieen. Zo heeft een aantal Cochrane meta-analyses naar bepaalde complementaire behandelvormen geleid tot publicaties in diverse peer reviewed wetenschappelijke vaktijdschriften waarvan de hoopgevende resultaten nader onderzoek vergen. De VtdK poogt dergelijk noodzakelijk onderzoek echter consequent te dwarsbomen omdat zij de mogelijk gunstige resultaten ervan bij voorbaat wenst te uit te sluiten met behulp van de repeterende oneliner: ‘Alles is placebo’. Omdat de VtdK volkomen gevangen zit in haar fundamentalistische gedachtegoed is deze splintergroep geheel onmachtig tot het innemen van een onbevangen standpunt ten aanzien van complementaire geneeskunde. Op deze plaats zij nog vermeld dat een overheidsinstelling als ZonMw - waar ondermeer wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan naar complementaire geneeswijzen hetgeen voor de VtdK aanleiding was om ZonMw hiervoor in 2006 de kwakzalvers-Kackadorisprijs toe te kennen - en het private Nationaal Fonds tegen Kanker - alwaar reeds een drietal dissertaties tot universitaire promoties heeft geleid - maatschappelijk uitermate relevant onderzoek verrichten naar diverse complementaire behandelvormen. Ook Stichting IOCOB ligt uiteraard voortdurend bij de VtdK onder vuur.Ook in het recente BWT-debat heeft de VtdK gepoogd om de complementaire geneeskunde (‘kermisgeneeskunde’) in een uitzonderingspositie te plaatsen doordat zij vurig heeft gepleit om uitsluitend aan complementaire werkende artsen de BTW-vrijstelling te ontnemen terwijl de reguliere artsen vrijgesteld van BTW zouden blijven. Deze poging is mede dankzij IOCOB volledig mislukt. Het pleidooi van de VtdK tegen een uitzonderingspositie voor niet-reguliere behandelwijzen is dus louter op vooringenomenheid terug te voeren en kan om die reden niet serieus worden genomen.Misbruik Evidence Based Medicine (EBM) door de VtdK voor verenigingspolitieke doeleindenVolgens de VtdK dient de gezondheidszorg bewezen effectief te zijn, dat wil zeggen dat diagnostiek en behandeling gebaseerd moeten zijn op zogeheten Evidence Based Medicine (EBM). Uiteraard is IOCOB volgens haar doelstelling ook van oordeel dat toepassing van bewezen geneeskunde de voorkeur verdient boven de praktisering van onbewezen geneeskunde. In dit kader misbruikt de VtdK haar standpunt inzake EBM echter om louter verenigingspolitieke redenen. De VtdK brengt de EBM namelijk uitsluitend ter sprake om het publiek te doen geloven dat alleen de reguliere geneeskunde als bewezen (EBM) geldt terwijl complementaire geneeskunde niet- EBM zou zijn, en dus per definitie kwakzalverij is. De VtdK zou beter moeten weten.In gezaghebbende reguliere kringen (zie hierna) is het namelijk een vaststaand feit dat het overgrote deel van het gangbare medisch-reguliere handelen juist niet EBM is zodat alsdan volgens de eigen defintie van de VtdK ook de reguliere geneeskunde goeddeels op (reguliere) kwakzalverij berust. De VtdK wenst bovendien niet te erkennen dat voor een aantal complementaire behandelvormen wel degelijk wetenschappelijk bewijs voorhanden is , waartoe men de desbetreffende publicaties op de website van IOCOB kan raadplegen. De op basis van het EBM-criterium door de VtdK gesuggereerde tegenstelling tussen reguliere geneeskunde en complementaire geneeskunde is dus volstrekt ondeugdelijk. De EBM-mythe is bovendien niet geworteld in de praktijk van de regulier-medische beroepsuitoefening maar wordt door de VtdK uitsluitend misbruikt ter rechtvaardiging van haar omstreden verenigingsideologie. Bezien wij daarom deze EBM-mythe nader. De EBM-mythe nader bezienAan het feit dat het merendeel van het regulier-medisch handelen niet-EBM is, moet worden toegevoegd dat het door de VtdK aanbeden EBM-criterium zich veelal niet leent voor toepassing in de dagelijkse praktijk omdat sprake is van een niet op de individuele patient toegesneden wetenschappelijke abstractie. EBM bestrijkt namelijk slechts een fragmentarische werkelijkheid waardoor duidelijk beperkingen worden gesteld aan het door de VtdK zo fanatiek geproclameerde karakter van onaantastbare waarheid.
Ter adstructie hiervan zij met nadruk verwezen naar de website van IOCOB waartoe men in het zoekvenster slechts de term EBM behoeft in te tikken waarna verwijzing volgt naar een lange lijst van artikelen waarin ook gezaghebbende reguliere medici over dit onderwerp aan het woord komen. Dr L. Wigersma, directeur Beleid KNMG: “Ja, van alle dingen die je als arts doet is hoogstens 30% evidence based. Als je je daartoe zou beperken zou je de patient te kort doen. In ons standpunt over professionaliteit staat dan ook dat je primair het belang van de patient voor ogen moet houden. Ook als je daarvoor af moet wijken van EBM”. (Bron: KNMG over Vereniging tegen de Kwakzalverij’. Dr L. Wigersma, directeur Beleid KNMG:’ Wij artsen verrichten binnen dat algemeen geaccepteerde medische domein vaak handelingen die niet door bewijsvoering ondersteund worden en ook niet strikt medisch zijn, maar wel zinvol en professioneel’. (Bron: Bewijskracht geneeskunde). Ben Crul, arts en hoofdredacteur Medisch Contact:’Onze evidence based-richtlijnen worden volkomen uit hun verband gerukt. Alsof het bewijs waterdicht is en ze op elke patient zijn uitgetest. Was het maar zo. Het is een veilige gedachte voor een controlfreak, maar de patient als eenheidsworst bestaat niet’. ( Bron:Patient geen eenheidsworst).
Prof. dr Y.M. Smulders, hoogleraar en internist:’ Veel klinische handelingen worden niet onderbouwd met epidemiologisch onderzoek. Naar schatting ontbreekt bij bijna de helft van veelgebruikte behandelingen het klinisch epidemiologische bewijs geheel. Is er wel epidemiologisch bewijs voor een behandeling dan is dat doorgaans verkregen met streng geselecteerde patienten.Vaak kan minder dan 10 procent, soms zelfs minder dan 1 procent van de patienten meedoen aan klinische trials. De meeste patienten uit de klinische praktijk worden derhalve nimmer in trials geincludeerd’. 'Het epidemiologische bewijs voor in de geneeskunde veelgebruikte handelingen is als volgt: Werkzaamheid onbekend 46 % Waarschijnlijk niet werkzaam of schadelijk 4 % Werkzaamheid onwaarschijnlijk 6 % Fifty-fifty kans op baat en schade 8 % Waarschijnlijk werkzaam 23 % Bewezen werkzaam 13 %.
(Bron: Oratie VU 2008, getiteld: Hoezo bewijs?, vermeld in Vrijheid voor artsen). Dr G.J.D. Hengstman, neuroloog: ‘Literatuurreferenties en de creatie van de waarheid’. (Bron: Evidence Biased Medicine 3). Gezondheidsraad: ‘Maatschappelijk belangrijk onderzoek zonder winstvooruitzicht blijft hierdoor op de plank liggen’.( Bron: Industrie betaalt en bepaalt). Ben Crul, arts en hoofdredacteur Medisch Contact: ‘Het heilige geloof in EBM is doorgeslagen’ . (Bron: Medisch Contact 18 maart 2010). Ook IOCOB leverde haar bijdrage over zin en onzin betreffende EBM. Zie daaromtrent: Prof. dr J.M. Keppel Hesselink, arts: ‘Evidence Biased Medicine, nummers 1 tot en met 4. De conclusie uit dit alles is dat het wetenschappelijke bewijs van de reguliere geneeskunde grotendeels ontbreekt. Slechts voor 13% van de reguliere behandelingen bestaat epidemiologisch bewijs, terwijl voor 23% der reguliere behandelingen geldt dat slechts bewezen kan worden dat zij waarschijnlijk werkzaam zijn. Er is dus wat de mate van bewezenheid betreft geen enkele aanleiding om uitsluitend de reguliere geneeskunde te verheerlijken en de complementaire behandelvormen te verketteren, zoals de VtdK doet. Voorts lenen de therapievormen die wel EBM zijn zich vaak niet voor concrete toepassing in de klinische praktijk omdat elke patient een individu is met zijn eigen persoonsspecifieke eigenschappen welke in het EBM-onderzoek niet worden meegenomen. Het register voor gekwalificeerde, niet-BIG-geregistreerde complementaire therapeutenDe recente wetswijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 heeft ertoe geleid dat met ingang van 2010 voor complementair werkzame therapeuten die niet-BIG-geregistreerd zijn en die lid zijn van een beroepsvereniging die voldoet aan de door de minister van VWS gestelde vereisten voor (na)scholing ( tenminste HBO-niveau plus medische basiskennis) en beroepsuitoefening harer leden (waaronder een valide klacht- en tuchtregeling) voor het eerst de mogelijkheid is geopend voor het verkrijgen van een vrijstelling van BTW over de door hun als zodanig verrichte gezondheidskundige diensten. Ook is daarbij de bestaande BTW-vrijstelling voor complementair werkende artsen behouden gebleven. Deze wetswijziging heeft zijn beslag pas gekregen na de mede door IOCOB ondernomen publieksactie GA VOOR CAM welke actie zich in een Kamerbrede steun mocht verheugen.Uiteraard werpt ook hier weer de VtdK luidruchtige bezwaren op tegen toepassing van de BTW-vrijstelling voor dergelijke niet-BIG-geregistreerde therapeuten. De VtdK ziet echter over het hoofd dat deze fiscale vrijstelling niets van doen heeft met een blijk van welwillendheid of vrijgevigheid van dan wel ‘erkenning’ door de bewindslieden van VWS en Financien van complementaire geneeswijzen. De wettelijke regeling is namelijk niets meer dan een door de Europese belastingrechter aan Nederland opgelegde verplichting om het beginsel van de fiscale neutraliteit in haar omzetbelastingwetgeving alsnog gestalte te geven door daarin het gelijke gelijk te behandelen. De BTW-vrijstelling is dan ook alleen weggelegd voor niet-BIG-geregistreerde complementaire therapeuten die gezondheidskundige diensten verrichten welke kwalitatief gelijkwaardig zijn aan die van wel-BIG-geregistreerde complementaire zorgaanbieders. Ten einde het neutraliteitsbeginsel in een omschrijving te vatten heeft de minister van VWS thans in de Wet OB 1968 doen opnemen dat voor de leden van daarvoor in aanmerking komende beroepsverenigingen van niet-BIG-geregisteerde therapeuten een register in het leven wordt geroepen dat door de minister van VWS wordt bijgehouden. Ook hier weer manifesteert zich weer de fobie voor complementaire geneeswijzen van de VtdK die de instelling van dit register ‘onwenselijk’ vindt. Dit nieuwe register is immers – anders dan het BIG-register dat bij een afzonderlijke wet in het leven is geroepen, in tegenstelling tot het nieuwe register dat in de bestaande omzetbelastingwet is opgenomen - vooral van fiscale betekenis voor de desbetreffende beroepsbeoefenaar -vrijwaring van de heffing van BTW- en voegt overigens niets toe aan diens professionele bekwaamheden die ook reeds voor de inschrijving in het register bestonden. Primair is dan ook geen sprake van een register ten dienste van patienten. Overigens kan geen zinnig mens er bezwaar tegen hebben om, zoals de minister van VWS heeft gedaan, specifieke scholings- en beroepseisen aan deze categorie van complementaire zorgaanbieders te stellen die in overeenstemming zijn met de wijze waarop de Europse belastingrechter de Nederlandse belastingwetgever daartoe verplichtte. Verzekering van complementaire geneeswijzenAan dit eveneens door de VtdK aan de orde gestelde onderwerp gaat IOCOB voorbij omdat dat IOCOB zich niet uitlaat over commercieele zaken.Wettelijk toezicht op de zorgIn tegenstelling tot de VtdK is IOCOB van mening dat het wettelijke instrumentarium ten dienste van toezicht op de geleverde zorg in Nederland toereikend is. Voor toekenning van grotere bevoegdheden aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg bestaat dan ook geen behoefte. Wel bestaat in het medische tuchtrecht behoefte aan een grotere inbreng van rechters/niet artsen die over generieke medische kennis beschikken, dit om de schijn te vermijden dat deze thans nog door artsen gedomineerde tuchtcolleges onvoldoende oog hebben voor de veelal kwetsbare positie van de leken/klagers. Gespecialiseerde gezondheidsjuristen en/of ervaren letselschade-advocaten zouden deze rol in de medische tuchtcolleges zeer wel kunnen vervullen.Ter afsluiting. De discussie moet gaan over goede tegenover slechte geneeskundeZoals haar gewoonte is, poogt ook thans de VtdK weer in haar boodschap de complementaire geneeskunde en haar beoefenaars in een ongunstig daglicht te stellen. IOCOB komt daartegen in dit weerwoord in het geweer.Indien de VtdK zich zou realiseren dat in de reguliere sector jaarlijks vele duizenden patienten het (ernstig verminkte of dodelijk) slachtoffer zijn van fouten van reguliere artsen, ziekenhuizen en andere zorginstellingen, zou dit onweerlegbare feit de VtdK er reeds toe moeten noodzaken niet zo’n hoge toon aan te slaan over de complementaire geneeskunde en haar beoefenaren. Zo buit de VtdK het drama-Sylvia Millecam nu reeds jarenlang publicitair uit op een onsmakelijke wijze terwijl zij zich stekeblind en stokdoof betoont als het gaat om de vele misstanden in de reguliere sector. Vergeleken met de reguliere sector is het complementaire domein echter een oase van rust. De discussie over de Nederlandse geneeskunde behoort dan ook niet, zoals de VtdK steeds weer probeert, te gaan over de valse tegenstelling tussen reguliere tegenover complementaire geneeskunde, maar over goede tegenover slechte geneeskunde. Als dat laatste voor ogen wordt gehouden, is duidelijk waarom IOCOB zich zal blijven inzetten voor de totstandkoming van een geintegreerde geneeskunde. Moge een serieuze lezing van dit weerwoord daartoe eveneens bijdragen. 14 april 2010: Het kernbestuur van de Stichting IOCOB
Gerelateerde artikelen
Powered by JoomlaCommentCopyright (C) 2006 Frantisek Hliva. All rights reserved.Homepage: http://cavo.co.nr/
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
| Bezoekers? |
|---|
| We hebben 25 gasten online |
|
Onze sponsor
Uw advertentie hier? |
|
|
|
|
van complementaire behandelwijzen. Alle rechten voorbehouden.
